Categorie: Hoofdklasse

31/01/2013


Column: Met koffiepil naar goud

Doping in het hockey? Het is denkbaar, ook omdat er geen sprake is van systematische controle. Tot nu toe is er in Nederland nog geen enkele dopingrel omtrent het hockey ontstaan. In andere landen zijn wel gevallen bekend zoals Oliver Kurtz, de Duitse olympische goudenmedaillewinnaar van Barcelona 1992, die vier jaar later positief testte op het gebruik van cocaïne. Tijdens het olympisch kwalificatietoernooi in Azerbeidzjan in 2008 werden twee Spaanse hockeyvrouwen betrapt op het gebruik van het verboden middel amfetamine. Meest recent is een Indiase hockeyinternational die in 2012 het verboden middel marihuana gebruikte. Zijn dit toevalstreffers of is dit het topje van de ijsberg? De meeste topsporters hebben veel, zo niet alles over om als winnaar door het leven te gaan. Grenzen worden verlegd in ruil voor eeuwige roem en soms veel geld. Het gebruik van doping is op geen enkele manier goed te praten. Veel topsporters leggen echter als bijna vanzelfsprekend hun fysieke en mentale lot in handen van de (medische) begeleiding. Een stof of methode is pas doping als aan minimaal twee van de volgende drie criteria wordt voldaan: 1. schadelijk voor de gezondheid; 2. prestatiebevorderend; 3. in strijd met de sportethiek. In de gouden periode 1990-2000 van het Nederlands elftal experimenteerden wij met creatine, een lichaamseigen stof, die een belangrijke rol speelt bij de snelle energieoverdracht in de spieren. De meningen over mogelijke schadelijkheid voor de gezondheid en mogelijke prestatieverbeteringen lopen nogal uiteen. Creatine staat echter niet op de dopinglijst van het IOC en wordt als voedingssupplement aangemerkt. Ons, de spelers, werd gezegd dat het stapelen van creatine bijdraagt aan een sneller herstel na inspanning en we dus harder konden trainen. Het doel heiligt de middelen. Daarnaast hebben wij in de periode 1994-2000 cafeïne gebruikt, een prestatieverhogend middel dat tot één januari 2004 wel degelijk op de dopinglijst stond. Cafeïne werd ons toegediend in de vorm van koffiepillen. Eén koffiepil staat gelijk aan 25 bakken koffie. Het opwekkend effect voelde ik binnen een uur na inname en was na ongeveer vijf uur uitgewerkt. Onze toenmalige teamarts Peter Verstappen, sinds 1996 ook verbonden aan de Rabowielerploeg, had uitgezocht dat er pas bij het innemen van twee koffiepillen sprake was van doping. Als speler vertrouw je blind op je sportarts en ik nam dan ook keurig één koffiepil voor elke wedstrijd. En de overige spelers neem ik aan ook… Doping wordt geleverd door de arts, de rest van de (team) leiding weet ervan, maar als je gepakt wordt, sta je als topsporter alleen. De rest speelt de vermoorde onschuld. Het systeem keert zich dan tegen je. Ga je als betrapte topsporter de bij voorbaat ongelijke strijd aan? Zo is Lance Armstrong thans het middelpunt van de belangstelling, maar hoe zit het met zijn ploegleider Johan Bruyneel, artsen en sponsors die hem tijdens zijn zeven Tourzeges begeleidden? Ik pleit dan ook voor strengere dopingcontroles onder de daders, de (medische) begeleiders, de verstrekkers van de verboden middelen aan ambitieuze atleten, waarvan het leven ten dienste staat van één ding: winnen. Bron: Jaques Brinkman/De Telegraaf

Lees het hele bericht op HoofdklasseHockey.nl

Deel dit artikel met anderen
Gerelateerde artikelen:
  • EK-vooruitblik: Oranjemannen op jacht naar goud
  • Volkskrant: “Maartje Paumen en de details op weg naar goud”
  • Column van indeaanval.nl: Taekema – Van Ass
  • Column: Tophockey en het grote geld
  • Column:Backhand
  • Reageer op dit bericht